Spreuken 13:1-25

Statenvertaling 1637 (SVV)

1Een wijs zoon [hoort] de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.

2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.

3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.

4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.

5De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.

6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.

7Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al [heeft], en een, die zichzelven arm maakt, en [heeft] veel goed.

8Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.

9Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.

10Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.

11Goed, van ijdelheid [gekomen], zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.

12De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom des levens.

13Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, dien zal vergolden worden.

14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.

16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.

17Een goddeloze bode zal in het kwaad vallen; maar een trouw gezant is medicijn.

18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.

19De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken.

20Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.

21Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.

22De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor den rechtvaardige weggelegd.

23Het ploegen der armen [geeft] veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.

24Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg [met] tuchtiging.

25De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddelozen zal gebrek hebben.