Psalmen 108:1-13

Statenvertaling 1637 (SVV)

1Een lied, een psalm van David. :2 O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijn eer.

2[0108:3] Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.

3[0108:4] Ik zal U loven onder de volken, o HEERE! en ik zal U psalmzingen onder de natien.

4[0108:5] Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.

5[0108:6] Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de ganse aarde.

6[0108:7] Opdat Uw beminden bevrijd worden; geef heil [door] Uw rechterhand, en verhoor ons.

7[0108:8] God heeft gesproken in Zijn heiligdom, [dies] zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.

8[0108:9] Gilead is mijn, Manasse is mijn, en Efraim is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.

9[0108:10] Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Palestina zal ik juichen.

10[0108:11] Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?

11[0108:12] Zult Gij het niet zijn, o God! [Die] ons verstoten hadt, en Die niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?

12[0108:13] Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid; want des mensen heil is ijdelheid.

13[0108:14] In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden.