Psalmen 12:1-8

Statenvertaling 1637 (SVV)

1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith. [012:2] Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.

2[012:3] Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, [met] vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.

3[012:4] De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong;

4[012:5] Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?

5[012:6] Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.

6[012:7] De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.

7[012:8] Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid.

8[012:9] De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden.