Psalmen 3:1-8

Statenvertaling 1637 (SVV)

1Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom. [03:2] O HEERE! hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op.

2[03:3] Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.

3[03:4] Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.

4[03:5] Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid. Sela.

5[03:6] Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij.

6[03:7] Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.

7[03:8] Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken.

8[03:9] Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk. Sela.