Psalmen 58:1-11

Statenvertaling 1637 (SVV)

1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth. [058:2] Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij, vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij, mensenkinderen?

2[058:3] Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde.

3[058:4] De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van [moeders] buik aan.

4[058:5] Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, [die] haar oren toestopt;

5[058:6] Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan.

6[058:7] O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE!

7[058:8] Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren.

8[058:9] Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, [als] ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.

9[058:10] Eer dan uw potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als [in] heten toorn wegstormen.

10[058:11] De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen.

11[058:12] En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt.