Psalmen 92:1-15

Statenvertaling 1637 (SVV)

1Een psalm, een lied, op den sabbatdag. [092:2] Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!

2[092:3] Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;

3[092:4] Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.

4[092:5] Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.

5[092:6] O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.

6[092:7] Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;

7[092:8] Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.

8[092:9] Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid de HEERE!

9[092:10] Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.

10[092:11] Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.

11[092:12] En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan.

12[092:13] De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon.

13[092:14] Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.

14[092:15] In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn,

15[092:16] Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht.