Psalmen 56:1-13

Statenvertaling 1637 (SVV)

David smeekt God om genade en vertrouwt op Hem. Hij vraagt om bescherming tegen zijn vijanden.

1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. [056:2] Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder.

2[056:3] Mijn verspieders zoeken [mij] den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!

3[056:4] Ten dage, [als] ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.

4[056:5] In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?

5[056:6] Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.

6[056:7] Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.

7[056:8] Zouden zij om [hun] ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!

8[056:9] Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?

9[056:10] Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.

10[056:11] In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen.

11[056:12] Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?

12[056:13] O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden;

13[056:14] Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden?