Psalmen 8:1-9

Statenvertaling 1637 (SVV)

1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith. [08:2] O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.

2[08:3] Uit den mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.

3[08:4] Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;

4[08:5] Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?

5[08:6] En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?

6[08:7] Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;

7[08:8] Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

8[08:9] Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt.

9[08:10] O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!